Aert Dinclouw uit Loosdrecht. Geen geschikte opvolger van zijn vader

Ook in Loosdrecht ontkwam men in het rampjaar 1672 niet aan de verwoestende kracht van de Fransen. Op 8 oktober 1672 plunderden de Fransen Loosdrecht en ontvluchtten veel inwoners het dorp en trokken, veelal met een bootje, naar Amsterdam. In het voorjaar van 1674 was de situatie zo verbeterd, dat veel Loosdrechters naar hun dorp terugkeerden. Veel inwoners waren in die periode overleden, waaronder ook schoolmeester Le Roy van Oud-Loosdrecht. Hij werd 1653 benoemd in het dorp. Daarvoor werkte hij in Woudenberg.
Het gevolg was dat er in het voorjaar van 1674 een nieuwe koster en schoolmeester aangesteld moest worden. Nadat de kerkenraad en kerkmeesters eerst de ambachtsheer toestemming hadden gevraagd om op zoek te mogen gaan naar een geschikte kandidaat, hebben vier kandidaten op 11 maart in de morgendienst hun proeve van bekwaamheid afgelegd als voorzanger en voorlezer. Na de middagdienst werd de gemeente in de gelegenheid gesteld te kiezen uit een tweetal. De keus viel op Wernard Dincklau, waarmee de ambachtsheer instemde.

De nieuwe koster, voorlezer, voorzanger, doodgraver en schoolmeester Wernard Dincklau kwam uit Amsterdam, waar hij woonde in de Kalverstraat. Aan de kerkenraad van die stad had hij in 1672 verzocht een proeve van bekwaamheid te mogen afleggen "om tot het publijck voorlesen en voorsingen geadmitteert te werden". De vergadering had er 'een seer goet genoegen' in geschept en had hem zijn verzoek zeer gaarne ingewilligd. Deze aantekening in de kerkenraadnotulen van Amsterdam dateert van 15 september 1672, dus vlak voor de Franse furie in Loosdrecht, dat anderhalfjaar later zijn woon- en werkplaats zou worden. Over zijn functioneren is niets bekend.

Hij is vermoedelijk in 1672 of 1673 getrouwd met Marritje Stouthandel en hun eerste kind wordt in augustus 1673 gedoopt in Amsterdam. En helaas op 1 november 1673 alweer begraven in Amsterdam. Zij kregen in totaal minstens 13 kinderen waaronder  de zoons: Johannes, die in 1699 trouwde te Oud-Loosdrecht met Trijntje Jans van den Nederhorst (een van onze voorouders) en Aert.
Wernard of Warnar is voor juni 1693 overleden. Tijdens zijn ziekte en overlijden heeft zoon Aert (net 17 jaar oud) enige weken de school- en kerkendienst waargenomen. Naderhand verklaarde de Oud-Loosdrechtse kerkenraad, dat ze dat graag anders gezien had, "tot meerder stigtinge".
Sinds 1653 was Conradus Schoonhoven predikant van Oud-Loosdrecht. De kerkenraad en kerkmeesters vroegen de ambachtsheer Steven van Lijnden er op toe te zien, dat de te benoemen opvolger van Wernard Dincklau lidmaat zou zijn van de gereformeerde kerk en verder "bezadigt, voorsigtig en godsaligh van wandel". Aan deze voorwaarden werd blijkbaar voldaan door ene Willem Jansz. Stijnen, die door de ambachtsheer met het ambt werd begunstigd, "zijn leven langh geduerende", tot genoegen van de kerkenraad en de kerkmeesters.
 
In de zomer van datzelfde jaar 1693 kwam Steven van Lijnden blijkbaar terug op zijn beslissing. In augustus moest de kerkenraad hem erop wijzen, dat hij Stijnen had benoemd, en niet Aert Dincklau.
Drie motieven voerde de kerkenraad aan om de kandidatuur van Aert Dincklau af te wijzen. Ten eerste was hij pas zeventien jaar oud, te jong om hem zo'n belangrijke functie in kerk en school toe te vertrouwen. Vervolgens was hij geen lidmaat van de gereformeerde kerk. Tenslotte zag de kerkenraad voorlopig geen gelegenheid om hem tot lidmaat aan te nemen, "in aenmerkinge van de quade gerugten die van tijt tot tijdt ons zijn voorgekomen van lossigheden in zijnen ommegangh" ,
De Loosdrechters wensten een koster/ schoolmeester die "bezadigt, voorsigtig en godsaligh van wandel" was, en dreigden nu opgescheept te worden met een beschermeling van de ambachtsheer die niet erg aan de profielschets beantwoordde. In een uitvoerige verklaring stelde de kerkenraad in augustus 1693 de ambachtsheer op de hoogte van Aerts  ‘lossigheden', met opgave van plaats, tijdstip en getuigen.
In oktober verzocht Aert Dincklau toch aan de kerkenraad om als lidmaat aangenomen te worden, maar daar kon natuurlijk geen sprake van zijn. Voor alle zekerheid werd de hele lijst van Aerts wandaden nog eens in het notulenboek opgenomen. Het is een tamelijk schokkend relaas over een blijkbaar nogal losgeslagen jongeman; het geeft tegelijk een kijkje in enkele sectoren van het dagelijks leven in Loosdrecht aan het eind van de zeventiende eeuw.
 
2 oktober 1693
Aert Dincklauw, de zoon van de overleden koster; verzoekt tot lidmaat aangenomen te mogen worden, maar de kerkenraad heeft verscheidene dingen te zijnen laste, zoals:
1.
dat men in hem bespeurt een grote neiging tot het veelvuldig bezoeken van kroegen, waarbij hij dikwijls zitten drinken tot laat in de nacht. Door het hele dorp is het verhaal gegaan, dat hij op pinkstermaandag 's middags gekaatst en gedronken heeft voor en in de herberg aan het Kwakelpad; vandaar is hij gaan drinken in de herberg aan de Meent;
vandaar verder in het dorp in Zijp [Nieuw-Loosdrecht] waar een kroegfeest gehouden werd. Aan de Meent heeft hij zoveel praats gehad, dat hij door zijn naaste buurman, die daar ook was, bestraffend is toegesproken. Dat hij in of bij de andere herberg vernielingen begon
aan te richten, en met dat soort wangedrag de nacht heeft doorgebracht, zodat hij de volgende dag heel laat zijn roes lag uit te slapen. Dit laatste is Claes de Micker te weten gekomen ten huize van de schooljuffrouw. Van dat tot laat blijven drinken in de herbergen tot
11 of 12 uur hebben verscheidenen staaltjes gezien.
2.
een grote liefde voor kaatsen en kolven, ook 's zondags, zoals Barent Cornelisz. en Claes de Noij gezien hebben op 3 mei. Ook op zondag 2 augustus. Door verscheidenen wordt gezegd, dat hij bij die spelen gewend is grove vloeken te bezigen.
3.
dat hij met kolven eens op een namiddag drie en een halve gulden heeft verspeeld, die een zekere Elbert Pietersz. Ploos van hem gewonnen had. Diaken Claes Dircksz. de Noij, die als bierleverancier in de herberg moest zijn, heeft het hele gezelschap van jongelui
daarover opgewonden horen spreken; Elbert heeft het zelf ook toegegeven.
4.
dat hij op afgelopen Vastenavond met zijn oom een vastenavondwedspel heeft georganiseerd zoals dat hier nooit gebruikelijk is geweest, namelijk 'turfrapen'. Dat dient  slechts tot instandhouding van dat roomse Bacchusfeest, terwijl de dominees met hun preken en vermaningen juist de herinnering aan dit soort dagen proberen uit te wissen.
5.
dat hij op 9 februari 's avonds met zijn oom ruzie heeft gekregen die hem, Aert, met ontbloot mes achterna kwam. Nadat hij zijn oom ontkomen was en bij de buurman in huis was gevlucht, was hij met een bezemstok naar buiten gekomen en had hem zodanig op zijn mond geslagen, dat de stok doormidden brak en zijn oom ter aarde stortte, lange tijd bewusteloos was en als dood werd beschouwd.
6.
dat hij omstreeks 7 of 8 april in de herberg aan de Loenderveense sluis tot 's avonds 11 of 12 uur heeft zitten drinken, en toen met Jan, de zoon van Adriaen Adriaensz. Meijerts, ruzie heeft gekregen, waarbij hij, Aert, de ander met verschrikkelijke beledigingen heeft getergd.
Daarna zijn ze twee of drie maal aan het vechten geraakt en toen ze van elkaar gescheiden werden dreigde hij, Aert, nog het hem te zijner tijd te zullen betaald zetten. MI: Gerrit de With en Jacob Jansz. De Jonge vertellen dat gezien te hebben.
7.
dat hij op 4 juni door Tijmon Sijmonsz. Dolman en Jacob Jansz. De Jonge is gezien terwijl hij zat te troeven in de herberg bij de Kortenhoefse molen met de waard aldaar wel tot vier spellen toe.
8.
dat hij geneigd is tot regelmatig bezoek aan de kermissen, die op het platteland toch niets anders zijn als Bacchusfeesten. In oktober 1692 heeft hij de Loosdrechtse en de Kortenhoefse kermis bezocht, de ene 's maandags, de andere dinsdags, met kaatsen en zitten drinken in de herbergen. In 't bijzonder dient vermeld, dat hij op dinsdag 4 augustus 1693, na de begrafenis van het verdronken zoontje van Gijsbert Gerritsz., tot donker in Loosdrecht heeft gekaatst bij de herberg tegenover het Kwakelpad. Daarna is hij nog samen met een ander naar Breukeleveen gegaan waar het kermis was. Eerst hebben ze aan deze zijde van de Weer wijn gedronken, daarna is hij gegaan naar de herberg in het midden van Breukeleveen waar een kroegfeest was. Daar heeft hij de nacht doorgebracht tot het dag werd en bij het verlaten van het huis is hij te water geraakt. Omdat hij zijn hoed miste is hij teruggegaan naar de herberg waar hij zich gedroogd heeft en met zijn kameraad nog twee of drie halfjes jenever heeft gedronken.
Toen zijn hoed hem weer terugbezorgd was, is hij door Zijp heen op pad gegaan, maar 's ochtends werd hij aan het eind van Zijp met zijn makker slapend aangetroffen op een akker. Claes Dircksz. de Noij heeft van Cornelis Evertsz. Kruijf vernomen, dat hij ze heeft zien
liggen. Over wat er gebeurd is in en bij de herberg in Breukeleveen hebben de beide kerkmeesters, diaken Claes de Noij en anderen horen vertellen door de waardin van de genoemde herberg.
9.
dat hij bij Aeltje Smit op woensdag 9 of donderdag 10 september was binnengekomen met Den Deckel; die bij de Kortenhoefse molen woont, nadat zij bij zijn moeder thuis sterke drank gedronken hadden; dat zij bij haar; Aeltje, nog zes halfjes jenever hadden gedronken, waarna hij er zo uitzag en zich gedroeg, dat zij hem, Aert, vroeg of hij dronken was. Na in haar zaak alles op stelten te hebben gezet was hij naar huis gegaan. Toen zij dit bij het huisbezoek vertelde zei ze er bij, dat ze naderhand vernomen had dat hij op school niet in staat was geweest zijn werk te doen.
 
Nadat hem de hele lijst was voorgehouden, had hij er weinig tegen in kunnen brengen en heeft de kerkenraad hem gevraagd of hij berouw had van zo'n zondig leven. Hij beloofde beterschap. Maar op 20 december van dat jaar ontkende hij ook maar iets te hebben toegegeven van het hem te laste gelegde, en verklaarde hij dat hij alleen maar berouw had getoond over zijn zondig leven in 't algemeen. In dezelfde vergadering werden weer allerlei staaltjes van zijn slecht gedrag naar voren gebracht. Bij Aeltje Smit zou hij met de smidshamer op haar ijzerwerk hebben ingebeukt, op de Loenense kermis had hij zich weer misdragen, en in zijn ouderlijk huis had hij zijn moeder gebruuskeerd. Alles bij elkaar besluit de kerkenraad hem niet in staat om belijdenis te doen en hem niet toe te laten tot het Heilig Avondmaal.
Op 4 april 1694 verscheen zijn moeder Marritje Stouthandel in de kerkenraad om zich er over te beklagen dat haar zoon niet als lidmaat werd aangenomen. Dominee Schoonhoven hield haar voor, dat de kerkenraad ook op de hoogte was van zijn ongehoorzaamheidaan en oneerbiedige bejegening van zijn moeder. Op haar beurt verweet ze een aanwezige ouderling dat hij gezegd zou hebben "dat Aert waerdigh was in een gat [in 't gevang] gezet te worden". In een sfeer van ruzie verliet ze de vergadering, zij zou niet aan het Avondmaal aanzitten. Na haar vertrek werden allerlei nieuwe staaltjes van zijn wangedrag te berde gebracht.
Kort daarna is de Oud-Loosdrechtse predikant Schoonhoven overleden en verdwijnt ook Aert Dincklau's naam uit de notulen.
In de aanstellingsbrief van de Nieuw-Loosdrechtse koster en schoolmeester Paak enige jaren eerder stond o.a., dat hij de kinderen moest leren zich 'op den dijck' behoorlijk te gedragen. Van Aert Dincklau kon zo'n twintig jaar later niet worden verwacht dat hij aan die opdracht zou kunnen voldoen. In dezelfde aanstellingsbrief stond ook, dat de meester ontslagen zou worden als hij zich in zijn ambt en in zijn leven niet behoorlijk zou gedragen. Zo’n  ontslagprocedure wenste de Oud-Loosdrechtse kerkenraad zichzelf overduidelijk te besparen.
 
Bronnen en literatuur:
- Handelingen des kerckenraets van de Oude Loosdrecht, Archief van de Hervormde gemeente Oud-Loodrecht, inv. nr 1.
- Archief Kerkenraad van Amsterdam in Gem. archief aldaar, Part. archief nr 376, inv. nr 12, folio 258.